Sint Petersburg

De waarheid
Mark Mastenbroek
Twee lagen er opgebaard in de somber-zwarte drukte binnen de kerk van het Alexander Newsky-klooster. Beide leken zo rond hun zestigste het maatschappelijk bestaan voor een eeuwig ongrijpbaar perspectief te hebben omgeruild. Zo op het oog schenen zij hier veilig ingebed en teder omhuld in hun hagelwit gewatteerde kisten. Een van hen was een vrouw met een bleek, door telkens wisselende zorgen uitgeteerd gelaat. Het leek wel of haar kommer nu alleen maar groter was geworden. Alsof er nog achter rijen voor de karige winkels van weleer aangesloten moest worden, en uit het onmetelijke Rusland emmers vol landbouwproducten te schillen en te pellen waren. Even verderop lag een militair, met de enorme pet nog optimistisch op het hoofd vastgezet. Zijn grijsbevroren mimiek leek, in weerwil van de heiligheid in de atmosfeer die hem hier omringde, nog wel in voor een forse soldateske kwinkslag.
Ondertussen was het een komen en gaan in de donkere ruimte. Stoeten oude vrouwtjes stonden in de rij voor een gouden ikoon die terzijde was opgesteld. Een jonge orthodoxe geestelijke met een uivor­mig hoofddeksel en een ijle lange baard, veegde plichtmatig met een handdoek de sporen af, wanneer een van de vrouwtjes een extatische kus op de ikoon had gedrukt. De volgende! Zijn nauwelijks zichtbare handgebaar liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Opschieten! Ondanks het feit dat hij in een betere bui heel goed de rol van Aljosja in De Gebroeders Karamazov had kunnen vertolken, keek hij nu verveeld en ontevreden in het niets en veegde telkens opnieuw even routineus het speeksel weg. Later zou ik hem op het oude kerkhof tussen de graven van Dosto­jewski en Tsjaikovski in diezelfde lange zwarte pij met mijter, enthousiast zijn bloeddorstige doberman-pincher zien uitlaten.
Ergens in die donkerte zette een koor in. CD’s met russische kerkmuziek van thuis werden hier in het echt honderdvoudig overtroffen. Ondermenselijk diepe bassen legden hun dreunend fundament onder hoogestemde muzikale bogen, guirlandes van wanhoop die vertroosting vinden en in laagten afglij­dende verstervingen van een mineur dat nog dieper dan het ons bekende, tot in de botten schraapt. Waardoor je niet alleen aan de grond gespijkerd wordt – een tranendruppelende zuil uit Holland – maar ook nog eens het diepste mineur uit stervende krochten van de aarde aan je voetzolen voelt morrelen.
Buiten gekomen, op de brede trappartij, strompelden de oude vrouwtjes die eerder de ikoon gekust hadden, nu achterwaarts, zich bekruisend en gebeden prevelend, de kerk uit. Even verderop stond een militair in hetzelfde tenue als de opgebaarde binnen. Kennelijk was hij nog een houwdegen van de oude Sowjet-stempel en zette zelfs voor een dode kameraad geen voet in zo’n huis van onderdrukking en bijgeloof. Niet voor niets stond hij naast een graf waaruit een rode metalen ster oprees. Maar, dat was toch wel duidelijk, hij was een minderheid geworden. Te dezer stede zeker, en al helemaal in dit omvangrijke klooster waar dagelijks honderden nieuwe gelovigen getuigen van een onuitwisbaar diep verlangen. De kloostergebouwen staan, liefdevol gerestaureerd, rondom een park­achtige binnenplaats met graven. Het murmelt er van oude verhalen die nu weer verteld mogen worden. Voorbijlopende patriarchen kijken weer verstoord en driftig op uit hun gepeins wanneer een oude vriend het waagt hen een vraagje te stellen. De refters, congregatiezalen, kapellen en uivormige torens zijn in die merkwaardige russische barok-stijl opgebouwd. Met een prachtige ritmiek van witte pilasters, kroonlijsten en friezen, tegen een hier onbeschrijflijk rozerood pleisterwerk.
De oprijlaan van het Alexander Newski-klooster betreden betekent dat men eerst spitsroeden loopt langs een vaste rij hulpbehoevenden. Soldatenjongetjes zonder benen, zwakbegaafde meisjes in een kinderstoel, stokoude profetessen op de straatstenen en landlopers, zó uit een opera weggelopen, die hier een plaatsje hebben geritseld voor de eeuwigheid. En rondom liggen kerkhoven. Oude kerkhoven met groenbemoste stenen uit de tijd van de tsaar, weggezakt, tot een geheel eigen poëzie geworden, onder hoge bomen. Op de binnenplaats, waar de communisten begraven liggen onder hun rode sterren die uit de verte felle rozen nadoen, scholen groepen gelovigen samen, zoals nu voor de uitvaartdienst die juist is afgelopen. Tussen de kerkgangers die de trappen afdalen ontwaar ik opeens twee tiener­vriendinnen die me binnen niet waren opgevallen. Maar nu wel, want zij dragen, zoals je dat in heel het voormalige Oostblok als gepotentiëerde erfenis van het kloeke communistische vrouwelijkheids-ideaal wel vaker ziet, de kortst denkbare, flinterdunne minirokjes boven hun lange pantybenen. De kaarten zijn geschud. De waarheid is aan het licht gekomen. De uitvaartdienst, de koormuziek, de heilige icoon… Vergeten! Terwijl de twee vriendinnen vrolijk gearmd het klooster verlaten over het pad onder de hoge bomen, kijkt ook de militair die buiten bleef hen na. Met duistere blik.

Jordanië

Help my father tank benzin
Mark Mastenbroek

Als er één land is waar je woestijnen in allerlei soorten kunt zien, dan is het Jordanië. ‘s Werelds meest majesteitelijke gebergtewoestijnen treffen we langs de Dode Zee en bij de geheime roze mysterieplaats Petra. Bij Wadi Rum liggen de schoonst denkbare zandwoestijnen als een bijna ongeloofwaardig filmdecor tussen grillige rotspartijen die als eilanden uit de einder omhoogrijzen. Richting Irak en Saudi Arabië is de woestijn sleets, haast grijs; in een lichtjes heuvelende perspectief gaat zij teloor, lijkt het. Alsof de wereld nooit meer ophoudt een verlaten woestenij te zijn. Alsof je dagen, maanden door zou kunnen reizen zonder dat er iets verandert.
Door die laatste categorie slingert zich de voornaamste verkeersader van Jordanië, de vierbaans Desert Highway. Temidden van zware, hevig rokende vrachtautogiganten in felle kleuren, zie je aan weerszij die eindeloosheid. Zij wordt slechts af en toe onderbroken door grauwe bouwvalligheden, door een betonnen moskee, of door geëgaliseerde vlaktes waarop één geparkeerde truck opeens een maximale zeggingskracht verkrijgt. En er zijn, zonder aanwijsbare oorzaak, plaatsen waar opeens tientallen mega-trucks en losse opleggers bijeenstaan in de hitte.
Onderweg van Wadi Rum naar Amman in een witte huur-Toyota, neigde de benzinemeter langzaam maar zeker naar de rode zone. In een flauwe, omlaaghellende bocht, bereikte ik, na een paar immense kuilen en zandrichels genomen te hebben, een grauwe plek grindzand, waar op verbrokkelde betonnen eilanden, vier hompen gekweld metaal nog nèt overeind stonden. ‘Tank benzin?’ vroeg de magere beheerder die ondanks het feit dat de temperatuur ruimschoots boven de vijfenveertig graden kookte, een warme trui over zijn galabya had aangetrokken. En hij wees met een nauwelijks zichtbaar handgebaar op één van de onder ouderdom en hitte kreunende pompen, waarop allang geen tekst meer te ontwaren viel.
Terwijl het mechaniek piepte en ratelde, teneinde het begeerde vocht in mijn benzinetank te hijsen, ging in een van de houten keten verderop een verpulverde deur open, waarop tussen arabische lettertekens in grote onhandige blokletters het woord Pepsi stond. Een jongen van een jaar of twintig in een soort semi-militaire outfit met zware legerschoenen en vechtpet, kwam op ons af. ‘Hello!’, klonk het zoals in heel de arabische wereld, ‘you American?’ Zijn ogen keken mij hoopvol aan. Het duurde niet lang of ik was als niet-Amerikaan ontmaskerd en voelde me verplicht om uit te leggen in welk land Cruyff gevoetbald had. Meestal was zo’n detail voldoende om een zinloze uitwisseling van feitenmateriaal af te ronden, maar ditmaal niet. Want eigenlijk ging het hem daar niet om, onder de zon. Hij vatte al zijn intensiteit samen en meldde fier: ‘I come from Egypt. Me work in Egypt. Hard work in Egypt!’
‘Kijk eens aan’, probeerde ik vriendelijk, maar gericht op een efficiënt slot. Mijn gastheer was echter nog niet uitgesproken. De pointe moest nog komen. Terwijl in de verte rijen zware vrachtwagencombinaties traag de flauwe helling namen, meldde hij: ‘Every holiday I come back home!’ Hij keek om zich heen. ‘Hére!’ Verduidelijkte hij en wees triomfantelijk op de leegte, op het geblakerde blik van de benzinepompen en op het houten beschot waaruit hij zoëven tevoorschijn was gekomen.
Ondertussen was een limousine met hoge snelheid genaderd en onder vlagen snel oplossend zandstof tot stilstand gekomen bij de deur waarop Pepsi werd beloofd. Het peperdure voertuig kwam, getuige het kenteken, helemaal uit Dubai. Vier jonge heerschappen openden hun portier, smetteloos witte hoofd­doeken werden door de grillige wind gegrepen. Ondanks het feit dat het viertal de onverbiddelijke uitstraling bezat van een arabische richesse, die slechts genoegen neemt met ogenblikkelijke hulp en bediening, ging de jongeman onverdroten verder: ‘I come home to help my father!’ riep hij uit. ‘Help my father tank benzin.’ En richtte zijn fonkelende ogen naar de magere man die onbewogen in de hitte mijn tank liet vollopen. ‘Because I love my father!’ Besloot hij, nu schreeuwend van vervoering en sloeg zijn jonge arm krachtig om de magere man, die bijna bezweek onder zoveel liefde. Terwijl de meest genadeloze aller woestijnen achter de einder verder heuvelde. De einder waartegen ooit aartsvaderen uit oude, deels verloren geraakte heilige boeken en testamenten, hun vervaarlijke profetieën hadden geslingerd.

Hong Kong

Very good, sir!
Mark Mastenbroek

In diverse opzichten stelt Hong Kong een stad als New York volledig in de schaduw. Niet dat de wol­kenkrabbers van Zuid-Oost-Azië nu altijd zoveel hoger zijn dan in de States, maar het glas­spiege­lende geweld is er moderner, compacter, gedurfder en bovendien staan al die woon- en kantoortorens rond een schitterende baai, die in haar bevallig groene heuvelachtigheid de Cote d’Azur op zijn minst evenaart. Ondertussen ben je wel degelijk in China. Ingeklemd tussen blauw, goud en turkoois gespiegel, ver­heffen zich hier en daar nog noeste, tot de laatste vierkante decimeter met menselijke benodigdheden volgepakte woontorens uit de jaren dertig. En over Des Voeux Road rammelen, in een briljant contrast met al die high-tech, de oudste, schattigste dubbeldekstrammetjes die ik ooit zag. In zekere zin vormen zij de ziel van deze metropool waarvan de omschrijving Aziatische Tijger in economische opzicht ook na de annexatie door China onverminderd van toepassing lijkt.

Met moeite wist ik me staande te houden op de wirwar van loopbruggen die vlak boven de wortels van al die wolkenkrabbers over snelwegen gespannen zijn. Je kon niet eens meer zeggen dat het woei; de avondlucht kolkte letterlijk tussen de torens door. Op allerlei plaatsen waren reeds waarschuwingen voor de komende tyfoon geplaatst: in de altijd geopende maar nu verlaten winkelcentra, naast de piepkleine pagodes waar bij beter weer ouderen de hele dag in het zonnetje konden soezen en mijmeren en bij de ingang van het City Choochow Restaurant, waar ik vandaan kwam. Met dit noodweer was er vrijwel niemand te voet te bekennen. Ook al omdat de inwoners van deze stad als het even kan toch de auto pakken. Onder mij trokken immense verkeersstromen rustig tussen de hoogbouw door alsof er geen tyfoon op komst was.

In een beschut hoekje stonden zij, half onder de trap die ik, met alle haren overeind, afdaalde. Hij was een goedgeklede vijftiger. Ik schatte hem op Regent Street, Londen, of desnoods de PC in Amsterdam. Hij was het soort manager dat ondanks alles een zekere menselijkheid blijft uitstralen, ook overzee. Zij was hooguit achttien en leefde ongetwijfeld in een van de immense woonkazernes die deze stad rijk is. Misschien werkte zij in een nederige positie achter het glas van een van de multinationals en waren zij elkaar daar tegengekomen als in een cliché van alle tijden. Vergezichten met gouden bergen voor een naïef kind. Gesuggereerd door iemand die een netwerk aan beroepsverplichtingen, een vrouw plus kinderen en af en toe een avontuurtje met elkaar in evenwicht moest zien te houden. Nu hield hij haar ietwat schonkige Chinese gezicht teder in zijn handen en schudde het hoofd. Gehaast maar begripvol sprak hij nogmaals tot haar ogen die vol stonden van sprakeloze ontzetting: ‘It=s impossible. Really. Please realise.’ En kuste haar ten afscheid op het voorhoofd. Maar zij begreep niets meer en keek alsof het diep-zwarte water verderop zich straks geluidloos boven haar lange nachtelijk-donkere haar zou sluiten.

De tyfoon echter, kwam niet. Op het laatste moment bedacht zij zich ergens boven de Chinese Zee en scheerde heimelijk in de richting van Taiwan. De volgende morgen scheen de zon en stond het blauwe water van de heilige baai van Hong Kong strak van witte optimistische golfjes. De taxichauffeur die mij via een fly-over naar de snelweg richting vliegveld laveerde sprak, als veel van zijn vakbroeders, nauwelijks Engels. In een kort broekje, een dun t-shirt en op slippers overleefde hij als al die miljoenen aldaar, door hard te werken en af en toe een plastic zak op zijn hoofd te plaatsen, als Zen-oefening. Om weer een beetje los te komen van de stress die hier het basisgegeven vormt. Toch kende onze schaarse conversatie enkele lichtpuntjes. Toen ik meldde dat de tyfoon toch maar mooi niet gekomen was, begreep hij mijn volzin opeens en lachte uit volle borst omdat ik zo’n relevante, spitse tekst had weten te produceren en herhaalde opgetogen: ‘Yes sir, typhoon not coming.’ Hij grinnikte goedkeurend over mijn woorden na.‘Very good sir!’ Zou hij nog enkele malen zeggen.

Bombay

But life is hard!
Mark Mastenbroek

De taxichauffeur kon mijn tempo niet meer bijhouden. Hoewel ik toch beslist niet te snel de flauwe heuvel besteeg die naar de Kanheri Caves leidde, de grotten even buiten de immense samenscholing die Bombay heet. ‘You go.’ Riep hij zachtjes toen ik omkeek en hij maakte een handgebaar in de trant van: vooruit, toe maar, loop maar door. Rondom sloot het oerwoud een mystiek verbond met de verre geur van specerijen, met een brandend vuurtje en met de stenen bergbult boven mij waarin monniken uit oertijden holen hadden uitgekapt, boeddhabeelden tevoorschijn hadden getoverd en dingen gedaan waar wij niets van begrijpen, maar die op de een of andere manier in de atmosfeer waren blijven hangen. Misschien dat de talloze kleine apen, die als gepensioneerde mannetjes zelfverzekerd en nurks deze plek leken te beheren, daar nog weet van hadden.

Ook déze vondst had ik aan mijn metgezel te danken. Onze samenwerking begon aan de voet van mijn vijf­sterren hotel-tower (met uitzicht op een baai waar de wanhopige dichter-zwerver-scheepsarts Slauerhoff in de jaren twintig ongetwijfeld nog voor anker had gelegen). Hij was met zijn antiek-rammelende taxi door de in livrei gestoken hotelportier tevoorschijn geroepen toen ik – nieuw in India – aangaf wel eens een tochtje door de stad te willen maken. Zonder opdringerig te worden snapte hij wat ik wilde. Hij toonde me de heuvel waarop de vredelievende Jaina’s in torens hun doden voor de gieren werpen, reed langs een opmerkelijk eigentijds en gis uit zijn ogen kijkende goeroe die bij de haven onder een boom woonde, liet me uitstappen bij het hels-drukke Victoria Station en voerde zijn vierwieler vervolgens trefzeker door de artistieke wirwar naar Salaam Bombay, de wijk waarvoor het begrip hoerenbuurt nog een romantisch-luxueuze misvatting is. Hij vertelde ondertussen over zijn hartkwaal, zijn dochter die wilde trouwen en de dertigduizend dollar die hij nodig had – maar nooit en te nimmer zou kunnen opbrengen – om de tweehonderd gasten op die trouwerij straks eten en drinken te kunnen geven. Plus de vereiste illusie dat hij als een welgesteld man door het leven ging.
Ondertussen moest ik mijn portierraampje gesloten houden als heilige mannen, stokoude profetessen en naakte kinderen, blootsvoets op het loeihete asfalt, hun hand ophielden. Elke uitgereikte rupee stond immers garant voor een oploop. Als het misliep kwamen nogmaals horden op mijn vrijgevigheid af. Schimmen uit oertijden, vergeten waarzegsters en kameraden uit lang vervlogen en vermorste vorige levens trokken langs het venster van mijn voertuig. Stervenden lagen verderop ruggelings op levensgevaarlijk hoog gelegen brugrelingen, heilige koeien herkauwden verstoft tussen de kakofonie van het verkeer. Ossenkarren met heiligenbeelden, foto’s en oranje bloesems werden uit oude Britse havenloodsen tevoorschijn getrokken en de elite van vandaag speelde cricket op een grasveld, precies zoals de koloniale overheersers dat hier in de jaren dertig deden.

Zijn voorstel luidde dus: de Kanheri Caves. Onbekend, maar volgens mijn leidsman waren de wél beroemde grotten op Elephant Island in de baai van Slauerhoff, nothing in vergelijking met deze holen buiten de metropool. En, belangrijk voor hem, het was een dagtocht. Met een op westerse leest geschoeide tip in het verschiet. Uren reden we door een heksenketel, die met een slordige twintig miljoen inwoners wel de grootste stad van deze aarde moest zijn, om onverwacht bij een stuk oerwoud aan te komen, hier een beschermd natuurgebied. Daar moesten we de taxi laten staan en een bus nemen. In die bus uit het Precambrium die ons gierend langs afgronden en scherpe bochten voerde, zaten we ingeklemd temidden van een schoolklasje. Tienjarige meisjes uit de buurt, die een uitje hadden met hun onderwijzeres. Ook hier weer, als in heel India, de aller- állerschoonste kinderen die ik ooit zag. Dit reisje was bovendien het ultieme hoogtepunt in hun leven, zoveel was duidelijk. Krom van spanning en verwachting klampten de meisjes zich aan elkaar vast, wisselden van plaats, knepen elkaar in de arm, schoten in schichtige lachsalvo’s, waren af en toe een heel klein beetje stout, kortom, zij ervoeren een puurder geluk dan ik ooit een westers kind met vakantie op Torremolinos of Acapulco heb zien ondergaan.

Op de terugweg hadden we de bus voor ons alleen. ‘What am I?’ Verzuchtte mijn metgezel plotseling tussen twee hobbelkuilen door na een lange ietwat dreigende stilte. ‘I am not even hálf a man.’ Zijn vrouw had immers niets meer aan een man met een half hart, zijn dochter moest vrezen voor haar prestige bij het huwelijk, zijn taxi was dringend aan diepgaande herstelwerkzaamheden toe en hijzelf? Hoe lang nog?

Bij het afscheid, een dag later op de luchthaven waar hij mij natuurlijk persoonlijk naartoe bracht, overhandigde ik hem het stapeltje witte hotelhanddoeken uit mijn marmeren badkamer waarom hij de avond tevoren quasi terloops had gevraagd. Omdat ik nooit zo dol ben op dit soort ontvreemdingen van hoteleigendommen had ik nog geprobeerd: ‘But you are a Moslem! This is a sin according to the Koran, is’nt it?’ Vergeefs. -‘But life is hard.’ Had hij kort geantwoord. Op de luchthaven was het afscheid zelfs een tikje kil. Altijd weer alsof je eigenlijk iets níet gedaan hebt, een belofte niet hebt ingelost, een schuld niet vereffend, een droom niet verwer­kelijkt. En hij liep langzaam, in de hektiek van kruiers, reizigers en parkeerperikelen opeens anoniem geworden, terug naar zijn taxi die haast uiteenviel, evenals zijn hart. Met onder zijn arm het stapeltje door mij ontvreemde handdoeken. Witte badhanddoeken, waarmee men vanuit verre vensters kan zwaaien en wapperen. Wanneer de vrede getekend is.

Pas thuis in Holland, bij het zien van de foto’s die ik in Salaam Bombay in het voorbijrijden had geschoten, zag ik dat de jonge vrouwen in hun deuropeningen, precies in de milliseconde waarin ik vanachter veilig taxiglas in de verkeersstroom mijn camera op hen richtte, allemaal hun gelaat met hand en hoofddoek afdekten. Niemand zou hen kunnen herkennen, ook niet in het verre Nederland. Niemand zou van hun schande kunnen weten.

Jeruzalem

Gelijk is ongelijk
Mark Mastenbroek
De wirwar van kronkelende straatjes van het oude Jeruzalem heeft iets ongrijpbaars. Het is alsof dit doolhof alleen bestaat in de menselijke fantasie en geen realiteit is op aarde. Misschien komt dat wel omdat iedereen hier in zijn piepkleine gebied het eigen religieus-territoriale gelijk lijkt uit te stralen. Dat geldt voor de kooplieden die in het arabische deel voor de oriëntaalse sfeer zorgen, al helemaal voor de vrome joden in hun goeddeels gerenoveerde wijk en, iets meer in het verborgene, voor de amechtig kijkende Christenen verderop in allerlei genres, uit allerlei windrichtingen. Bij voortduring worden we gewezen op ultieme feiten. Feiten die ook nog eens aan de maakbaarheid van het gewone leven ontstijgen. Híer is Christus ten grave gelegd. Bij ons en niet bij hen. En op déze plek stond het paleis van koning David, op díe rots heeft Mohammed zijn voetafdrukken nagelaten voordat hij door zijn mystieke rijdier naar de zeven hemelen werd gevoerd. De heilige stad is dus een berg van gelijkhebberig en elkaar af en toe tegensprekend bewijsmateriaal. Daarom wellicht, word ik bij ieder artefakt gesterkt in de overtuiging dat Christus hier helemáál niet heeft rondgelopen, laat staan koning David. Wellicht gebeurde dat allemaal in heel andere, verre en vergeten oorden, misschien waren de verhalen zelf totaal anders dan overgeleverd en koersen wij allen op verkeerde vooronderstellingen, op een verminkte of verdraaide mythologie.
Vreselijk genoeg lijkt de niet door religieuze motieven gekleurde archeologie dit vermoeden te onderschrijven. Wie eerlijk is moet constateren dat hier niets te vinden valt van al die zo vurig gehoopte sporen. Ja, de Romeinen waren in Jeruzalem, zoveel is zeker. En Grieken, Byzantijnen, Nabateërs, Palestijnen, Elamieten, Egyptenaren en natuurlijk ook joden en christenen. Maar die laatsten niet in grotere aantallen dan in pakweg Aleppo of Damascus. Vandaar dat zelfs het graven in de grond alhier inmiddels tot een politiek hangijzer is verworden. Fundamentalisten roepen tegenwoordig uit dat wie een spade in de grond steekt, daarmee te kennen geeft te twijfelen aan het woord van God. Alleen de mystieke reis van Mohammed ontsnapt aan die kakofonie omdat zijn aanwezigheid in de heilige stad een reis in de geest was, een droom, en dus geen archeologie kan opleveren. Terwijl de profeet ver van hier te slapen lag, werd zijn ziel op de rug van het fabeldier Al Buraq meegevoerd naar deze berg. Het was de plek waar Abraham zijn zoon zou hebben willen offeren. Vandaar steeg Mohammed vervolgens op ten hemel, om bij het krieken van de ochtend over het Arabische continent, weer terug te keren naar zijn legerstede. De ietwat wazige ‘voetafdrukken van Mohammed’ worden sinds de achtste eeuw door de zogenaamde rotstempel, een hoogtepunt van islamitische architectuur, overkoepeld. Onder Koning Boudewijn stichtten de tempeliers hier na de met bloed en schande doordesemde kruistochten in de twaalfde eeuw hun orde.
De enige in architectonisch opzicht adembenemende plaats in Jeruzalem wordt gevormd door de met grote wittige stenen belegen en door ruïneuze rondbogen omzoomde vlakte rond die sublieme blauw-gouden rots­tempel. De tempelberg is een soort verhoogd plateau. Hier word je overweldigd door wat je zíet en niet door wat je zou behoren te wéten, te geloven. Het is in religieus opzicht Arabisch gebied en hoort met Mekka en Medina tot de heiligste plaatsen binnen de wereld van de Islam. Maar de zijkant van die zelfde tempelberg wordt gevormd door de klaagmuur, waar de joden nederig en stijf ritmisch buigend hun vurige gebeden doen opklinken. De stad en de heuvels rondom ogen vanaf de tempelberg zowel huiselijk als vijandig. Dáár, onder honderden woonkubussen aan de overzijde, achter de dichtgemetselde poort waardoor, volgens overtuigden, Christus op de dag des Oordeels de heilige stad zal binnentrekken, ligt de Olijfberg uit de bijbel. Nú het zanderige thuisfront van Palestijnen die het in maatschappelijk opzicht een beetje gemaakt hebben, maar tegelijkertijd een prima dekking voor vijandelijke artillerie. Het is er lelijk, zoals eigenlijk in heel Israël. Betonnen blokken, zonder bekommernis met de mediterrane grond neergezet, zonder mededogen beschenen door een spijkerharde zon die sinds mensenheugenis alleen de sterkste of slimste legioenen lijkt te willen bevoorrechten.
Terwijl de schaduwen langer werden, de geluiden vreemder tussen verre stenen weerkaatsten, stond ik op enige afstand van de Klaagmuur, enigszins boven het gewemel. De hemel neigde al naar donkerblauw en het goud van de koepel van de rotstempel verderop kaatste koperkleurig als een stervend hemellichaam. Het was Vrijdag­avond en uit alle hoeken en gaten kwamen vrome joden omlaag om het begin van de Sabbath bij deze heilige scherf door te brengen. De Klaagmuur is een fragment van de onder Herodes her-opgerichte tempel van Salomo (de eerste een bewezen historische figuur, sporen van de laatste zijn nooit gevonden). De tegenstellingen waren zelfs hier, in dit ene stukje van Jeruzalem’s ‘gelijk’, nog onmetelijk. Mij passeerden bleke jongens die zich onder hun pijpenkrullen en zwarte breedgerande hoed zelfs in het zicht van de thuishaven als ontheemden leken te voelen. Krom van zondebesef en plichtsbetrachting, liepen zij schichtig naar beneden. Daar tussendoor beenden groepjes rijke joden uit New York of Chicago, luidruchtig en corpulent in hun zwarte frakken met krakend schoenwerk. Enkele passen daarachter, gearmd, hun gades en dochteren, gekleed als filmsterren uit de jaren dertig, met dophoedjes, lange rokken en nylonkousen. Beneden zouden mannen en vrouwen gescheiden bidden als knipmessen. In de nog steeds olie-achtige hitte ontwaarde ik hoeden van donkerbruin astrakan uit Rusland, gebedsrollen uit Jemen, aan het hoofd bungelende zilveren doosjes uit Ethiopië en gleufhoeden uit Alkmaar.
Terwijl mijn blik afdwaalde van de orthodoxe joden naar de soldaten – opgeschoten jongens die in hun hoger gelegen nesten sigaretjes rokend met doorgeladen machinepistolen op alles voorbereid waren – werd ik van achteren op de schouder getikt. Een levensblij kijkende jongeman met een rond gezicht keek mij monter aan. ‘I’m a rabbi,’ verduidelijkte hij, ‘may I bless you?’ Voordat ik kon antwoorden had hij zijn ronde vingers op mijn kruin aangespannen en prevelde intens en doelgericht in het Hebreeuws. Even plotseling als hij was begonnen, was de zegening voorbij en hield hij zijn hand op. ‘For the holy work,’ besloot hij nonchalant en loste, met mijn aflaat in zijn knuist, op in de zwarte stromen die in het steeds later wordende wordende licht op de heilige plaats afstevenden.

Macao

Een Chinees gezichtje
Mark Mastenbroek
In het centrum van Macao met haar nauwe straatjes, riante erkers en flamboyante balkonhekken zou men zich zonder moeite in een slaperig Portugees stadje kunnen wanen, waar hooguit een paar bromscooters de rust verstoren. Niets in deze nijvere enclave verraadt dat goksyndicaten en pornobazen hier al vele decennia voor die provinciaalse sfeer garant staan.
In een smal busje word ik door een jonge taxichauffeur van bezienswaardigheid naar bezienswaardig­heid gereden. Gelukkig laat hij mij ter plaatse met rust. Ik kan op eigen wijze, staande naast de oude ijzeren kanonnen in het hooggelegen fort, een vleug van de ontberingen navoelen, die Hollandse waaghalzen in de zeventiende eeuw doorstaan moeten hebben. Na de halve wereld levend omzeild te hebben, hanteerden zij hier vervolgens knuppels en buskruit tegen de Portugezen die al vele decennia heer en meester waren van Macao. Opnieuw met gevaar voor eigen leven. Want die elders zo succesvolle combinatie van reformatorische rechtzinnigheid en ongegeneerde schurkachtigheid van de Hollanders faalde hier resoluut. Bij iedere poging werden zij door de Portugezen weer teruggeslagen in de zee, die in de heiige verte ligt. In 1622 verdwenen wij voorgoed achter de horizon, pas in 1999 droeg Portugal de enclave over aan de Volksrepubliek China.
Het heuvelachtige perspectief toont voorts, voorbij die Portugese wirwar, een ratjetoe van hoogbouw uit verschillende stijlperioden en daarachter, ja dáárachter, temidden van de slordige artisticiteit van een haven, industrie en boten wellicht, ja wellicht nog een laatste vleug van wat Slauerhoff in zijn poëzie altijd het heilige Macao noemde. Dáár was ik voor gekomen. Lagen daar niet de laatste jonken die bij Slauerhoff nog roerloos hun eigen spiegelbeeld aanschouwden, verhangen en verdronken? Erheen met de taxi om dit vermoeden te controleren, leek bij voorbaat een verloren zaak. Te ver. Te onzeker. Bovendien viel het buiten onze afspraak. De chauffeur leek ook niet de meest geschikte persoon om over poëzie van havens en vergezichten van gedachten te wisselen. Of over het leven van een gekwelde Hollandse troubadour die hier in de jaren twintig ellendig door de hitte trok.
Op de terugweg ontwaarde ik in mijn ooghoek de muur van een kerkhof. ‘Stop please!’ En stilte opeens. Rond een soort gotische pagode stonden grafzerken die ook al goeddeels uit het katholieke Zuid Europa leken te stammen. Daartussen stond zij en zag vergevingsgezind op mij neer. Een slanke engel, het hoofdje bevallig schuin gebogen. Hoewel zij rechtstreeks herinnerde aan de beroemde glimlachende engel van de kathedraal te Reims, had deze gebeeldhouwde hemelse vrouwe met haar aanminnige vleugels, een Chinees gezichtje.
Peinzend over de mogelijkheid dat er kennelijk ook Chinese engelen bestaan, naderde ik de poort van de dodenakker. Daar maakten zich uit het grijzige steen van grafzerken en tombes opeens, in zwijgende eendracht, tientallen vermolmde vrouwen los en staken mij dof hun bedelnap toe. Buiten toeterde de taxi, de zon scheen, ik had geen kleingeld bij me. Wie van deze grijze geesten zou ik moeten bedélen? Allemaal, zou niet gaan. Eén van hen honderd HongKong dollar toestoppen leek onzinnig. Zouden dan de zielen van de versmaden uit de dodenakker mij niet achtervolgen, belagen, vervloeken?
Dus hief ik, de wanhopige toerist spelend – nee zíjnde – de armen ten hemel en gaf niemand iets, haastte mij naar de taxi die mij daarop keurig op tijd afleverde bij de terminal van de jet-foils, de supersnelle veerboten naar HongKong vanwaar ik was gekomen.
Daar, in de wachtruimte, uitkijkend over de Chinese Zee die achter een onlogisch hoog over de baai slingerende snelweg-brug met pilaren begon, overdacht ik mijn weinig verheffende reactie op de enige werkelijke vraag die mij in deze vreemde stad gesteld was. Maar kwam daar niet ver mee. In die high-tech ruimte werd regelmatig een boodschap aan de reizigers omgeroepen door een Chinese vrouwenstem op een bandje. Een tikje nijdig snauwde dat ambtelijke stemmetje: Ching-tchai-tan-tien-wah, wing-tan-tai-dábawah! De in deze contreien zo hogelijk gewaardeerde techniek liet hier echter een steekje vallen. Juist wanneer de tekst enkele seconden op volle sterkte was losgebarsten, schalde een andere luidspreker al even luid en begon monter aan dezelfde monoloog. Dwars door de eerste heen. Terwijl Chinese boeren op gympen, met vogelkooien en manden, door die kakofonie heen niesten en her en der zaktelefoons rinkelden in allerlei toonaarden, deed iedereen in Macao of er niets aan de hand was. Alsof de geesten van het heilige Macao de mensheid helemáál niet sloegen met een totale, iedere schijn van heiligheid hoonlachende spraakverwarring. Alsof niet elke goklustige die deze enclave betreedt, uiteindelijk met lege handen, als verliezer, onder hoongelach uit de hel achter de horizon zal verdwijnen.

Mexico City

Oude rituelen
Mark Mastenbroek

De term ‘straathond’ deed dit schepsel geen recht. Het was een groot, mager en verschrikkelijk ondier. Met vervaarlijk gele ogen speurde het, in onregelmatige draf van links naar rechts zwenkend, het immense plein af dat het hart van Mexico City vormt. Het plein is omzoomd door regeringsgebouwen in de barokstijl die heel America-Latina kenmerkt. De noordelijke zijde echter, wordt bekroond door de kathedraal, waarbinnen de magie van het goud heerst, zoals die ooit, vele grijsgroene eeuwen geleden, werd bedreven door sinistere priesters in de Templo Mayor, waarvan enkele schamele resten terzijde van de kathedraal nog zichtbaar zijn. Zoals bij veel muren van tempels uit de tijd van Maya’s, Olmeken en vooral Azteken, grijnsden van die stoffige muurdelen rijen gebeeldhouwde doodshoofden hun eeuwigdurende ontzetting uit. In de tijd van de Azteken werden op deze plek dagelijks honderden bloedoffers gebracht. Gevangenen en uitgestotenen uit de eigen kring werden onderhouden, soms vetgemest, om hier op de top van de trapvormige piramide van het voormalige Tenochtitlán in een flits te ervaren, hoe hen met een vlijmscherp mes door vaardige handen het kloppend hart werd uitgesneden. Terwijl de ongelukkige stuiptrekkend neerviel opdat het warme bloed de omlaag voerende geul van het verbond tussen god en mens glinsterend rood zou kleuren, zag hij of zij nog juist hoe dat hart omhoog werd gehouden. Naar de zonnegod Huitzilopochtli – linkshandige kolibri – opdat de schepping niet verloren zou gaan. Opdat Huitzilopochtli de volgende morgen weer zou herrijzen als de ochtendzon. Wanneer het lichaam was leeggebloed, werd het omlaaggeworpen, waar het door honden kon worden verscheurd.
Zó’n hond was hier nu en maakte het plein onveilig. Op een eerbiedig afstandje volgde ik het dier. Even vreesde ik voor het leven van de communistische agitator die buiten de weelderige hekken van de kathedraal een stekje had ingericht. Daarop stonden kartonnen borden die het toen aanstaande bezoek van de Paus tot onderwerp hadden. Je zag de pontifex in een onbeholpen kindertekening, met dollartekens op zijn mijter. De spreker was een Indio. Hij keek het handjevol omstanders dat zich die Zondagmiddag rond hem had verzameld, indringend aan. ‘Compañeros!’ Riep hij amechtig, wijzend op de dollartekens en de pauselijke jurk. Maar zijn makkers en kameraden bleven lauw. Zelfs in het arme Mexico kreeg hij geen handen op elkaar. Zelfs niet in deze stad die zich als een immens conglomeraat van rechthoeken uitstrekt en zesentwintig miljoen zielen huisvest achter van kleurenrijkdom dampende blinde muren die allemaal scheef staan dankzij de regelmatig schokkende aarde.
Niet ver van de Templo Mayor vond de tempelhond toch nog zijn prooi. Het was niet een van die lieftallige Spaanse meisjes in hun zondagse bruidsjurkje, niet een ranchero met cowboyhoed, niet een van die eerbiedwaardige oudere indio’s in smetteloos costuum die aan de zelfkant lijken te leven en hier als vijftig-plusser pas ten volle respect oogsten. Nee, het was de enige bedelaar op het plein, een jongeman in lompen, met één been, die zich met moeite staande hield tussen geïmproviseerde stokken. Met zijn waakzame blik had hij al veel eerder in de gaten hoe de vork in de steel zat dan ik. Hij keek de nu gil-blaffende helhond aan met een mimiek waarin de meest elementaire vijandschap laait die levende wezens kunnen uitstralen. Die haat, die vijandschap riep de vonk der herkenning wakker. Wederzijds. De enige werkelijk hulpbehoeftige van Mexico begreep al snel dat zijn kansen nihil waren en hinkte het plein af, maakte dat hij weg kwam. Terwijl niemand het ook maar in zijn hoofd haalde om in te grijpen, laat staan de hond te temmen die hem tot in de verlaten, haast mystieke straten van de grootste metropool ter wereld achtervolgde.

New York

The reality of acting
Mark Mastenbroek

“No longer haunted by ghosts, today Washington Square is a place where people linger, who seem to have come to terms with the inner contradictions of life…” Boven in een open dubbeldekker van Engelse snit tijdens een standaard citytour, had ik een dergelijke tekst niet verwacht. Om even bij te komen van het tijdsverschil na acht uur vliegen, was ik op Times Square ingestapt. Nietsdoen en toch weer eens New York ‘proeven’ na vele jaren, was het idee. Omdat mijn biologische klok al nachtrust verwachtte, terwijl het hier op montere wijze pas drie uur in de middag was. We waren juist door Greenwich Village gereden, de haast dorpse wijk, die ooit een achterbuurt was, maar allang tot de trendy top behoort met haar bakstenen geveltjes en hekwerken rond bruingroene voordeuren. Zoals in heel Manhattan, voelde ik me op onverklaarbare wijze hevig ‘thuis’, maar tegelijk­ertijd reis je over een andere planeet. Een vijandige, denk ik wel eens. De gids, een jonge, gezette New Yorker gaf in theatrale volzinnen citaten ten beste van verschillende literaire celebrities die langs de route gewoond hadden. Zo bereikten we Washington Square, een voormalige dodenakker waar het ooit spookte, maar waar nu her en der tevredenen in het zonnetje zaten met een vanzelfsprekendheid, alsof het leven alleen maar is zoals het lijkt. Alsof de Twin Towers nooit in puin en vuur waren ondergegaan. Onze gids liet van die façade opmerkelijk weinig heel. Sterker: ook hijzelf was niet wat hij leek. Hij was toneelschrijver. (“When one of my plays was running on Broadway last year….”) Zijn meest genadeloze anekdote betrof Moeder Theresa die jaren geleden New York bezocht. De toenmalige burgemeester, de kleurrijke Ed Koch, was zo onder de indruk van haar werken, dat hij uitriep: “Zeg me wat ik voor u kan doen. Anything; you’ll get it…!” De moeder van barmhartigheid hoefde niet lang na te denken. Zij wenste een eigen parkeerplaats vóór haar hotel, dan hoefde ze niet te lopen en haar chauffeur hoefde niet te zoeken. Zij kreeg het begeerde plekje overigens niet.
Alweer op de laatste dag van dit weerzien met New York ontwaarde ik, schuin tegenover het immense Metropolitan Museum, een terrasje. Nu is het betreden van elke eet- en drinkgelegenheid in deze stad wat mij betreft een probleem. Om te beginnen word je geacht te wachten tot de eigenaar, een gérant of een hostess jou als een VIP naar je plaatsje begeleidt, ook bij een snelle hap. Vervolgens wordt je levenssituatie elke twee minuten met joviale belangstelling geëvalueerd door het bedienend personeel: “How is your day now?” “Are you having a gorgeous afternoon?” “Everything okay?” En: “Really?”, boort men vervolgens nog even door alsof het allemaal nog niet genoeg was. Niemand zal in een New Yorks etablissement kunnen denken, dat hij wordt vergeten.
Maar ook ditmaal beende ik, opeens weer een onverbeterlijke Amsterdammer, zélf naar het door mij uitverkoren tafeltje. Dat ging gemakkelijk, want de jonge hostess – zó uit een fashion-magazine weggestapt – was even busy. Eén blik op het interieur was overigens voldoende om me te realiseren dat ik eigenlijk een verkeerde zaak was binnengelopen. Want dit was Fifth Avenue. Hier kom je wanneer je in het immense hotel verderop een suite voor achtduizend dollar per nacht hebt afgehuurd. Hier arriveer je in een stretched limo.
De hostess kreeg mij snel in de gaten en liep op me af. Het décolleté van haar jurkje leek met een scheermes gesneden, zo scherp, zo op het randje. Daaronder werd een musculatuur zichtbaar die vele dagelijkse uren aerobics verraadde. Een superieure glimlach opende zich: “Háááái….” het klonk alsof ik, zo niet haar geheime minnaar, dan toch minstens haar producer was die hier eens even prettig in het zonnetje gezet zou gaan worden: “Are you fine?”
Ik wilde dit niet. Al die dagen had ik aan dit spel meegedaan; nu was het genoeg. Ik wilde gewoon een kopje koffie voordat ik het museum zou gaan betreden. Met dit nobele besluit keek ik haar even aan. Ze begreep ogenblikkelijk hoe de vork in de steel zat. Haar groenblauw-stalen roofvogel-ogen spoten, zonder één milliseconde te aarzelen, dodelijke laserstralen naar mij uit. Naar hoe ik daar zat als vijftig-plusser, als uitgezakte toe­rist zonder dollartekens in de ogen, als ongelikte Hollander die de New Yorkers op eigen locatie wel eens even zou laten zien wat een schijnvertoning hier werd opgevoerd. Er was geen ontkomen aan, geen kijk op kansen die keren, geen uitzicht op een snedige opmerking mijnerzijds die alles op het laatst nog even op losse schroeven zou zetten. Kortom, ik kreeg het kortste, hevigste pak slaag dat ik ooit onderging.
“I’d lóve some coffee…” meesmuilde ik, alsof ik Robert de Niro heette, of Michael Douglas was. En besefte weer dat het arme Europa tot tweemaal toe door Amerika uit de bodemloze put van een wereldoorlog gered had moeten worden.

Van Praag naar Theresiënstadt

No problem
Mark Mastenbroek

Vanuit het kale busstation leek Praag eindelijk een beetje op de stad van Kafka. Zo meende ik ten­min­ste. Grauwe reeksen vrijwel blinde gevels staken aan de overzijde van een rangeerterrein tegen de einder af. Maar de nagalm van de schepper van een figuur als Gregor Samsa (een inwoner van deze stad die op een kwade ochtend tot een mans­groot insect blijkt te zijn getransformeerd) is niet op zo eenduidige wijze te beleven. In zekere zin ademt alles hier de sfeer van Kafka, wanneer je eenmaal zijn spoor hebt geroken. Het kleurrijke interieur van de kathedraal die Praag domineert was, zo besefte ik ter plaatse, wel degelijk de locatie waar Kafka de plaatselijke kapelaan het verhaal De Poortwachter liet vertellen. In de winterse verlatenheid van een tijdperk dat dankzij deze auteur nooit meer voorbijgaat, was de in laatgotische luister opgetrokken Sint Vitus aardedonker. Het verhaal dat tegen de wanden van deze inmiddels tot toeristische topper verworden heilige plaats weerkaatste, gaat over het onoplosbare raadsel van het menselijk lot. En dat blijkt wreder dan de zuurste grap en vóór ons geplaatst met een aartsvaderlijk gezag, dat elke naijverige god uit het Oude Testament, de Thora of de Koran in de schaduw stelt. Nergens ontkom je hier dus aan de gesel van een waarheid die Kafka als eerste wist te onthullen. Zo zou je zelfs de pastelkleuren waarmee het centrum van deze dramatisch-schone metropool na het bankroet van Links is opgevrolijkt, een typisch Kafkiaans element kunnen noemen. Want die pastelkleuren zijn niet aangebracht om Kafka beter te begrijpen, maar om de horden op vertier beluste toeristen van vandaag – waartoe ook wij behoren – het gevoel te geven dat er niets aan de hand is. Dat de Golem, de door Rabbi Löw in een mystiek verleden uit leem tevoorschijn getoverde reus hier helemaal niet heeft rondgelopen. Laat staan dat hij nog rondlóópt. Overal schuimt bier, petjes en vaantjes worden gretig gekocht, op t-shirts prijkt de naam van Kafka in allerlei kleurtjes en variaties, terwijl het toch voor iedereen zichtbaar kan zijn dat in het beroemde middeleeuwse klokkenspel waarbij allerlei mechanische figuren hun rondedansjes maken, de dood de regie voert.
Na twee dagen Praag wilden we, om even aan de eeuwige springvloed van reislustigen en het onoplos­bare dilemma van Kafka’s alomtegenwoordigheid te ontsnappen, naar Theresiënstadt. Een onderneming die, gezien de aard van het reisdoel, bij voorbaat al weinig kans op een compenserend ‘dagje uit’ opleverde. Theresiënstadt was immers het model-kamp dat voor de meeste joden tijdens de holocaust aanvankelijk een paradijs leek, in vergelijking met de echte Vernichtungslager. Het complex bestond uit een vestingstadje, waaruit de Tsjechische inwoners met harde hand waren verdreven om plaats te maken voor – uiteraard slechts tijdelijk – bevoorrechte joden, en uit de ernaast gelegen ‘kleine vesting’, die van oudsher als gevangenis en legerkamp diende.
Maar het lukte niet. Tenminste niet op dit busstation waar tientallen lijnen op onleesbare tabellen hun parcours prijsgaven. Eerder, in het nabijgelegen Centraal Station, bleek geen trein onze bestemming te willen aandoen. Enigszins ontgoocheld bereikten we ons hotel en klaagden bij het innen van de kamer­sleutel toch even onze nood. Nu wilde het geval dat ons logeeradres door een niet helemaal toevallige samenloop van omstandigheden tot het genre behoorde, dat in de jaren twintig aan de Parijse Champs-Elysées niet zou hebben misstaan. Verwonderd riep de balie-medewerkster dan ook: ‘But the hotel-limousine can take you there immediately sir, no problem’.
Met meer dan honderdtachtig kilometer per uur passeerden we moeiteloos alles wat zich op de grauwe wegen van Tsjechië voortbeweegt. We zoefden langs armzalige boerenhofsteden, zó uit een schilderij van Breughel weggekaapt als de sfeer niet zo bedrukt geweest was tenminste. We passeerden vergane, maar nog steeds milieu-vijandig ogende fabrieken die op geen enkele landkaart te vinden zijn en namen geluidloos lange hellingen. Op de achterruit van de hotellimousine prijkte de montere tekst: je voelt je lekkerder in een Peugeot, hetgeen betekende dat deze glimmende drieliter zescilinder ergens tussen Winterswijk en Roosendaal moest zijn ontvreemd. Niemand die de moeite nam om dat feit te verhullen. Heel Tsjechië wemelt immers van dit soort mobiliteit. Goed voor de economie, zowel hier als ginds, dus niemand maakte er een punt van.
Ondertussen werd, gezeten op de achterbank, mijn aandacht steeds sterker getrokken door de chauffeur. Het was een stoere vijftiger met donkergrijs krullend haar, die vanaf de hotelbalie telefonisch uit een onbarmhartig verlichte kroeg was opgetrommeld om ons zo’n negentig kilometer heen en vervolgens weer terug te brengen. Zijn rijstijl was een professionele coureur waardig; bloed­snel, maar safe. Ondertussen sprak hij gedurende de gehele rit geen woord. Zijn door de politieke realiteit van wisselende levenskansen gedicteerde levenshouding schreef kennelijk voor, dat niets van de eigen innerlijke staat mocht worden prijsgegeven. Wie was hij? Wat kun je zoal meegemaakt hebben in Tsjechië op zijn leeftijd en in zijn functie? Geheime dienst? Voormalig trawant van de terreur van Links? Of slachtoffer? Zelfs een spontaan aangeboden pepermuntje sloeg hij resoluut af. Maar zijn ogen, die af en toe quasi onverschillig het achteruitkijkspiegeltje beroerden, ontsnapten aan die zelfcontrole. Hadden zij in kerkers en martelkamers gekeken? Wat mij betreft was hieromtrent geen twijfel mogelijk. Onhoorbaar klonken er echo’s van ontheemde kinderen door zijn blik, trokken beelden van verraden en vervolgens zoek geraakte vrienden voorbij. Zonder het te willen openbaarde de plooival onder zijn wenkbrauwen een haast niet te torsen mededogen, dat zich daar als een fluisterstil geheim had weten te handhaven. Zou hij Kafka gelezen hebben? Of was hij zelf teveel onderdeel van een Kafkiaans scenario om zich dergelijke literatuur te kunnen permitteren?
Met zekere hand laveerde hij de limousine nu langs de hoge muur van de ‘kleine vesting’ even buiten Theresiënstadt en reed tot onze schrik in volle vaart gewoon het voetpad op dat als een oprijlaan naar de vreeswekkende ingang voerde, landerige groepen toeristen en argeloze bezoekers onbarmhartig opzij claxonnerend. Zijn uitstraling was van dien aard, dat tegenspraak niet aan de orde was. De opdracht luidde immers: breng die twee gasten zo snel en comfortabel mogelijk naar hun doel, zet ze bij de ingang af zodat ze niet onnodig hoeven te lopen en wacht hen daar weer op voor de volgende bezienswaardigheid. Wanneer zijn missie had geluid: snijd dit stel de keel door op een verlaten fa­brieksterrein, dan was hij wellicht met dezelfde onbewogen precisie te werk gegaan.
Enigszins beschaamd stapten we uit, pal naast het loket voor de toegangskaartjes tot deze vesting die het predikaat ‘klein’ wel het allerminst verdiende en waar, ondanks het feit dat hier geen ver­nietigings­kamp was gehuisvest, toch duizenden zijn gemarteld en gesmoord in het eigen bloed. In plaats van Kafka te ontlopen, waren we op deze plek in zijn ultieme consequentie beland, zoveel was duidelijk. Rest nog te vermelden dat de koffie binnen, in de voormalige onderofficierskantine van de SS, naar as smaakte.

Strasbourg

Mysterieplaatsen en oud ijzer
Mark Mastenbroek

Met name in en rond de Elzas vind je nog hier en daar plekjes, waar een onbeduidend stukje technologie uit de negentiende eeuw, naar het lijkt nog ongeschonden, als een Fremdkörper dat men vergat om op te ruimen, tot in de eenentwintigste eeuw is blijven liggen. Vaak zijn het allang niet meer functionerende sluisjes of daarop lijkende waterwerken, zoals in het oude waterhart van Strasbourg, Metz of zelfs Verdun. Soms is het een artefakt van de spoorwegen van weleer. Een in onbruik geraakt seinwachtershuisje of een roestige spoorbrug waaronder bosschages met geheime paden liggen.

Jaarlijks overnacht ik ten minste éénmaal met een touringcar vol scholieren in een jeugdherberg even buiten Strasbourg. Het weggetje dat naar de herberg leidt – de Rue de l’Auberge de Jeunesse – , is voor de hoge reisgevaarten van tegenwoordig bijna onneembaar. Het is eigenlijk te smal om er vanaf de provinciale weg in te draaien, voert vervolgens onder een minuscuul spoorwegviaduct – elk jaar weer millimeterwerk – en versmalt zich voorbij de herberg tot een stil pad.
In de vroege ochtend, wanneer er in windstilte nog verre nevels over het land drijven, loop ik voorbij dat pad graag even alleen wat rond. Want de bomen lijken daar nog verhalen te vertellen van een signatuur die nergens anders zó te vinden is. Er slingert een smal donkerbruin riviertje door dit restant van een ooit veel omvangrijker woud, met rafelige oerverkanten. Aan de overzijde sluimert een van de schoonste herenhuizen die ik ooit zag, in een sublieme mengeling van franse, duitse en zwitserse architectonische elementen. Het is al tientallen jaren onderhevig aan een gestaag en sfeervol verval, maar wordt binnenkort gerestaureerd. Tegen de gevel, pal aan de oever van het riviertje, zijn nog de ijzeren sporen van een houtzagerij te zien. Een vergeten steekspel van zwarte staketsels, die ooit door het snelstromende water werden aangedreven. Op de een of andere manier passen de ambachtelijke uitstraling van zoiets profaans als een houtzagerij en de verfijnde architectuur van dit stille herenhuis niet bij elkaar. Hoe verzoenden die tegenstellingen zich? Welk gemeenschappelijk verhaal strok hier haar spoor van noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid over generaties heen? In ieder geval bezitten beide bouwwerken een sombere uitstraling, alleen al vanwege het feit dat het hier nooit zonnig zal kunnen zijn onder de hoge dichte bomen. En alles deelt hier in een geheim dat zo evident aanwezig is, dat het haast voor het oprapen ligt, ook voor diegenen die voor een dergelijke sfeertekening minder gevoelig zijn.
Juist omdat dit element zich zo onontkoombaar aan de reiziger opdringt, word je zo pijnlijk, geconfronteerd met je beperkingen als mens van vlees en bloed. Al wordt de rechercheur hier duizendmaal in je wakker, je weet dat de oplossing van dit alom aanwezige raadsel alleen te benaderen valt wanneer je je als geest of spook manifesteert. En dat kun je niet. Niet meer, zo voelt het op deze plaats tenminste. De notie van verlies van oude nog vermoede menselijke mogelijkheden slaat alarm in die ochtendlijke ongereptheid. Daardoor sta je hier even stram als de boomstammen die hun geheimen delen met het warte water, de bruingolvende grond en zelfs met het kleine treintje dat af en toe in een door boomkruinen onzichtbaar gemaakte hoogte langsratelt en een kort fluitsignaal ten beste geeft, als teken aan de wand, als de geheime code van verstandhouding die hier de elementen definitief scheidt in ingewijden en buitenstaanders, wetenden en argelozen, zwijgenden en vrolijke praters.

Geen driehonderd meter verderop langs het pad – ik ontdekte het pas na meer dan zestien eens-per-jaar-voor­ko­men­de ochtendwandelin­gen – schuilt onder nog oeroudere bomen achter een scheefzakkend ijzeren hek, een joods kerkhof. Het is de plaats waar van de zeventiende tot halverwege de twintigste eeuw de stoffelijke resten van de tot in deze uithoek uitgewaaierde zandkorrels van het ooit door een naijverige Jehova in een verre woestijn uitverkoren volk, werden bijgezet onder grafstenen en geheime teksten. Tekens die nu bemost, scheefgezakt en overwoekerd één zijn geworden met de bruine grond, het snelstromende water verderop en de ochtendnevel die alles omhult. Het fijnzinnige residu van de nacht, die elke ochtend opnieuw als nevel heel de Elzas bestrijkt, lijkt alle zonden te vergeven, alle herinneringen te doen vervagen en de op niets bedachte voorbijganger te omgeven met een aroma waarin hij even buiten de eigen plaats en tijd kan mijmeren en proeven. Nòg wel. Buiten de grenzen van het kerkhof ligt inmiddels een voetbalveld. Voor het herenhuis prijkt een kleurig bord met teksten van een aannemer. Wat zal het worden? Hotel? Corporate Office? Congrescentrum? Van de jeugdherberg klinkt reeds vrolijk geschreeuw en hard gelach.

Roma

Geheim alarm
Mark Mastenbroek

Rome. Tijdens de zoveelste kunstreis alhier even een middag weggelopen uit sociale verplichtingen, even buiten het gewoel, even alleen. Maar dit alleen-zijn is even absoluut als schijnbaar. Je weet de stad bezet, je verantwoordelijkheid houdt onderwijl niet op. Maar voor het eigen oog: reisleider in ruste, gezeten op een terras aan het stille pleintje tegenover de oeroude Santa Maria in Trastevere, die van vroomheid en schurkachtigheden na-mompelen­de kerk met haar noeste gevelbogen. Boven die grijzige arcade tronen verweerde mozaïeken en dáárachter steekt een middeleeuwse toren roestbruin en fel af tegen het diep Maria-blauw van de mediterrane hemel. De grijze zuilen van dit tot verstarring verstomde stenen wonderdier werden ooit als roofgoed schaamteloos onder antiek-romeinse tempels weggetrokken.
Boven het caféterras drijven nog allerlei herinneringen aan eerdere escapes naar deze plek. Gesprekken met collega’s, leerlingen, reizigers. Maar ook waren er, als altijd, gevechten tegen het Niets.
Een gedrongen, ietwat manke Romein zwiept even verderop een accordeon, achteloos maar weemoedig als in een klassieke film vol voorbije wanhoop in zwart-wit. Elke melodie die deze oorlogsinvalide ten gehore brengt heeft iets voorlopigs, komt niet verder dan een voorbijtrekkende flard, blijft onafgemaakt. Alsof de muzikant eigenlijk op een belangrijker afspraak wacht. Die telkens ergens verderop lijkt te zijn. Of moet hij de carabinieri voorblijven omdat hij geen vergunning bezit? Zijn zoontje – haast tot een beeld uit de hongerjaren verstard en zwakbegaafd – collecteert. Dat wil zeggen: hij houdt af en toe even een leren nap omhoog, zonder dat dit gebaar enige correlatie met voorbijgangers oplevert. Voordat iemand iets heeft kunnen bijdragen, is het duo alweer verdwenen, de klankscherven echoën nu en dan na, als vluchtige herinneringen, tegen het roestige pleisterwerk van anonieme zijstraten.
Dan, op het terras, haken mijn blikken in de smetteloze rug van een in vlijmscherp kostuum gestoken magere oude heer. Met zijn jonge sterke zoon zit hij twee tafeltjes verderop. Een samenzijn vol bij voorbaat al paraat begrip over en weer. Vanwege een leven lang op elkaar inspelen, bestaat de conversatie louter uit halve fluisterwoorden, stille wenken. Alleen hier kan een heer op leeftijd zo héér zijn en toch man blijven, godfather, beschermheer, minnaar, wijze. Handopsteken. Vader wil tenslotte, oog in oog met rekening en ober, nog ouder gewoonte naar zijn portefeuille grijpen. Vergeefs, die is allang niet meer operationeel. Want zoon betaalt. ‘t Went nooit, zo blijkt alweer. Grandeur en zekerheid van een heel leven wemelen bij vader hevig na, maar later, al staande, al weglopende, zie je dat dit alles alleen façade is, alleen nog een vaag spoor van een lang geleden zonder vaarwel vertrokken regie.
Ondertussen zit even links vooraan op het terras al een hele tijd die onbewogen man met zijn hond. Een heel gewone hond, maar één die zo ontzettend, zo immens, zo oergraag contact zou willen leggen met alles en iedereen. Met dat andere hondje middenop het heilige plein dat zomaar vrij rondsnuffelt, met de jongen die voorbijloopt met een fiets aan de hand. En natuurlijk met de baas zelf, die echter als een volleerde narcist niets begrijpt van honger, niets van emotie, niets van liefde en star voor zich uitkijkt en een pijp opsteekt. Dit tweetal zou mij nooit zijn opgevallen wanneer het onvoorwaardelijk trouwe viervoetige slaafje van onder de stoelen van het terras niet af en toe een jammerlijk gehuil liet oploeien, door merg en been vibrerend als luchtalarm over een verlaten stad in oorlogstijd.
Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, wordt plotsklaps, in een voor mij onzichtbaar open raam ergens om een hoek, een vrouw krankzinnig en schreeuwt het uit met overslaande stem die allang geen stem meer is. De laatste Sibille van het oude Rome profeteert. Hoort, senatuspopulusqueromanus! Hallucineert zij over een verloren geliefde van eeuwen her? Roept zij Teiresias op uit het dodenrijk? Ontstaan waanzin en woede omdat zij al eeuwen niet meer kan toveren zoals weleer? Angelo! Brult zij nu rauw. Hier! Hier ben ik! Zie mij dan! Zij ziet hem staan, weer en weer, maar hij haar niet. Al eeuwig niet. Terwijl zij wéét dat hij er is, dat hij maar doet alsof hij haar niet ziet en zich verbergt achter een parasol, onder een pergola, of achter een stille straathoek.
Misschien heeft deze profetes uiteindelijk toch gelijk en zijn wíj de verblinden. Te verblind door onze lege eeuw om nog te kunnen zien hoe een eeuwig verlokkend archetype zich daadwerkelijk schuilhoudt achter de witmarmeren fontein die dit grijsbruine stenen plein in Rome van een onbekend soort levenskracht voorziet.